De nieuwe branddetectienorm is vollediger, beter en duidelijker!

Een vleugje geschiedenis

Verleden

In november 2015 verscheen de eerste editie van NBN S 21-100-1 « installatievoorschriften » samen met NBN S 21-100-2 « wie doet wat ». Deze 2 normen vervingen de NBN S 21-100 van 1986 en zijn talrijke addenda.

In het besef dat deze norm nood heeft aan een permanente aanvulling en verbetering, startte de Belgische Normalisatiecommissie SA/E072 destijds onmiddellijk met een werkgroep “New Work Items”[1] om NBN S 21-100-1 vollediger, beter en duidelijker te maken.

Zo werd in november 2018 een addendum gepubliceerd waarbij b.v. installatievoorschriften voor draadloze branddetectie werden ingevoerd samen met een lange lijst verbeteringen en verduidelijkingen.

Heden

Na de eerste editie in november 2015 en het addendum in november 2018 is nu een nieuwe editie klaar die opnieuw vollediger, beter en duidelijker is dan de vorige edities. Omwille van de leesbaarheid, publiceren we geen addendum, maar wel de volledige aangepaste tekst.

In dit artikel duiden we de lange lijst van aanpassingen.

Toekomst

Elke aanpassingscyclus bestaat uit het bepalen van de prioriteiten, het uitwerken van een ontwerptekst, een publieke enquête over deze ontwerptekst, het verwerken van de resultaten van de publieke enquête en tot slot de publicatie van de nieuwe versie.

Tijdens de maanden van de publieke enquête werken we steeds verder aan de volgende prioriteiten. We zijn dus al bezig met de volgende editie die, als we hetzelfde tempo aanhouden, in 2024 mag verwacht worden. In die volgende editie wensen we de tekst te vervolledigen met o.a. videobranddetectie naast de gebruikelijke verbeteringen en verduidelijkingen.

Dank je wel

Dit lijkt ons de goede plaats om de vele leden van de normcommissie en de werkgroep NWI in het bijzonder, hartelijk te bedanken voor hun jarenlange niet aflatende intensieve inzet om de kwaliteit van deze norm te verbeteren. Een tempo van zo’n 10 werkvergaderingen van een volle dag per jaar, met daarbij de voorbereidingen, het opzoekingswerk, enz. is best wel indrukwekkend. Zelfs Covid-19 heeft deze groep niet afgeremd.

Een vaak gestelde vraag: kan je mij de norm even doorsturen?

Nee, dat kan niet. Normen zijn auteursrechtelijk beschermd. Dat is overigens niet alleen in België zo, het is internationaal de regel. Dat betekent dat je NBN-normen alleen legaal kan verkrijgen via het NBN (www.nbn.be). Bij het online aankopen van een norm, komen jouw gegevens terecht op de beveiligde pdf-versie van de norm. Je zal bij het eerste gebruik van de pdf en daarna op regelmatige tijdstippen gevraagd worden om opnieuw ‘in te loggen’.

Wat wel gedoogd wordt, is een citaat van een relevante passage uit de norm in het kader van een werfverslag, een advies, enz. mits een correcte bronvermelding en het beperken van het citaat tot het strikt noodzakelijke.

Referenties

  1. NBN S 21-100-1:2021 Branddetectie- en brandmeldsystemen – Deel 1: Regels voor de risicoanalyse en de evaluatie van de behoeftes, de studie en het ontwerp, de plaatsing, de indienststelling, de controle, het gebruik, het nazicht en het onderhoud
  2. NBN EN 54-22, Brandmeld- en brandalarmsystemen - Deel 22: Herinstelbare lineaire thermische melders (2015 + add.1 2020)
  3. NBN EN 54-28, Brandmeld- en brandalarmsystemen – Deel 28: Niet-terugstelbare lijntype warmtedetectoren (2016)
  4. Sirris-Agoria is sector operator voor deze norm en organiseert namens NBN deze normalisatiecommissie.

Leestip

Als je echt het maximum uit dit artikel wil halen, neem dan even NBN S 21-100-1:2021 erbij. Dan kan je aan de hand van de verwijzingen bij elk deel snel de juiste tekst vinden.

Wil je nu gewoon even de hoofdlijnen doornemen, lees dan gerust zo verder.

Veel leesplezier!

[1] NWI of New Work Items is de gebruikelijke naam binnen normalisatie voor werkgroepen die werken aan de aanpassing van normen

banner https://www.fireforum.be/De nieuwe branddetectienorm is vollediger, beter en duidelijker!

Overzicht van de aanpassingen

Waarom?

Om de 3 jaar een nieuwe editie publiceren doen we om verschillende redenen:

  1. We wensen dat de norm rekening houdt met de stand van techniek. Per definitie loopt een norm steeds achter op innovatie. We streven er echter naar om die achterstand zo klein mogelijk te houden. We volgen daarom innovaties op de voet: via de leden uit de branddetectie-industrie, via initiatieven rond productnormen en via toepassingen in de praktijk. Van zodra blijkt dat er nood zal zijn aan installatievoorschriften, komen deze op de lijst van prioriteiten terecht.
  2. De commissie maakt actief gebruik van haar netwerk om feedback te verzamelen over de norm. Dit resulteert telkens in een lijst van verbeteringen en verduidelijkingen om de norm toegankelijker en bruikbaarder te maken.
  3. De publieke enquête over ontwerpteksten vult de vorige punten mooi aan.
  4. 3 jaar vinden we een mooi evenwicht tussen continuïteit en vernieuwing.

Op die manier ontstaat een werkprogramma dat een volgehouden inspanning vraagt van deze commissie en haar werkgroepen. Die inspanning wordt beloond met een norm die behoorlijk actueel blijft en telkens aan leesbaarheid wint.

Inhoudelijk

Resultaatsgerichte aanpak en uitzonderingsgevallen

Zie § 5, 5.1, 5.5, 6.15, bijlage F

Een prescriptieve norm kan nooit voor alle praktijkgevallen een oplossing bieden.

Het volgen van een vast recept is voor de meeste situaties een snelle en degelijke oplossing. Er zijn echter situaties die omwille van de aanwezige risico’s en/of de configuratie van het volume een aangepaste oplossing vragen. Denk bijvoorbeeld aan industriële toepassingen waarbij veel warmte en/of stof vrijkomt of creatief vormgegeven volumes.

In dergelijke gevallen wordt best een oplossing op maat uitgewerkt in overleg met de verschillende betrokken partijen. Deze editie van de norm biedt een kader aan voor dit overleg en voor de uiteindelijke goedkeuring door de betrokken partijen.

Dat kader bestaat uit 2 belangrijke elementen:

  1. Het formuleren van de doelstellingen en de brandrisicoanalyse (zie § 5.1)
  2. Het documenteren van de oplossing op maat (zie uitzonderingsgevallen - § 6.15 en geargumenteerd dossier - bijlage F)

Bij het uitwerken van een oplossing op maat is het, net zoals voor alle brandbeveiligingsmaatregelen, belangrijk om te weten wat de doelstellingen zijn en wat de resultaten van de brandrisicoanalyse zijn.

In § 5.1 gaan we, uitgebreider dan voorheen, in op het te bereiken resultaat en de verschillende doelstellingen zoals de bescherming van personen, goederen, continuïteit van de activiteiten en het milieu. § 5.5 zorgt voor de relatie tussen de “risicoanalyse en evaluatie van de behoeftes” en § 6.15 Uitzonderingsgevallen.

  • 6.15 beschrijft de situaties waarvoor de procedure “uitzonderingsgevallen” kan toegepast worden. Hiermee willen we ervoor zorgen dat uitzonderingen niet de regel worden.

Citaat uit § 6.15.1

  1. situaties waarin door deze norm niet expliciet wordt voorzien; (bijv. specifieke architectuur, nieuwe detectietechnologie, …)
  2. situaties waarin de toepassing van de voorschrijvende regels van deze norm technisch onmogelijk is;
  3. situaties waarin de toepassing van de voorschrijvende regels van deze norm leidt tot een onredelijke installatie die het prestatieniveau niet beduidend verbetert.

Einde citaat

  • 6.15.2 legt samen met bijlage F uit hoe het uitzonderingsgeval moet gedocumenteerd en onderbouwd worden. We hebben bewust een zekere vrijheid gelaten om zowel eenvoudige uitzonderingen beknopt te kunnen verantwoorden op een A4-tje tot meer complexe dossiers die onderbouwd worden met bijvoorbeeld onderzoeksresultaten.

Het is ook hier dat de relatie gelegd wordt tussen uitzonderingsgevallen en het uitvoeren van type haarden (zie § 9.2.6 en bijlage A). Type haarden zijn één van de mogelijkheden om uitzonderingen te beoordelen.

Het correct toepassen van deze procedure laat toe om een uitzonderingsgeval conform NBN S 21-100-1 te verklaren.

Lineaire thermische detectie

Zie § 3, 6.4, 6.5.8, bijlage G

Na de draadloze branddetectie in 2018, voegen we deze keer installatievoorschriften voor lineaire warmtedetectoren toe. De productnormen EN 54-22 en EN 54-28 dateren van 2015 en 2016 waardoor er op vlak van productcertificatie en compatibiliteit voldoende oplossingen voorhanden zijn. Deze oplossingen variëren bijvoorbeeld van kabels die bij een bepaalde temperatuur in kortsluiting gaan tot kabels met geïntegreerde, adresseerbare sensoren en oplossingen met glasvezel. Elk van deze technologieën heeft zijn voor- en nadelen of met andere woorden een bepaald toepassingsgebied. Dat is de reden voor het opstellen van “bijlage G (informatief) Verklarende tekst over de verschillende lineaire warmtedetectoren (volgens EN 54-22 et EN 54-28)”.

Als je vertrouwd bent met de installatievoorschriften voor thermische puntdetectoren, zal je snel wat analogieën en verschillen zien.

Omwille van de vele vragen over de toepassing van lineaire warmtedetectoren in bijvoorbeeld verlaagde plafonds, hebben we onder “§ 6.4 Keuze van de detectoren en handbrandmelders”, een nota toegevoegd als volgt: “Over het algemeen voldoet rookdetectie voor verborgen ruimten het best aan de hierboven vermelde eisen. Het gebruik van andere detectie-oplossingen vereist de opstelling van een uitzonderingsgeval.” Hiermee komen we enigszins tegemoet aan de visie van de Europese normcommissie die lineaire warmtedetectoren ongeschikt vindt voor verborgen ruimtes zonder eventuele uitzonderingen volledig uit te sluiten.

Beams : nieuwe aanpak voor detectie op tussenliggende niveaus

Zie § 6.5.4

Lineaire optische rookdetectoren, kortweg “beams”, worden vaak toegepast in grote en hoge volumes. Vooral de voorschriften voor hogere volumes, laten we zeggen meer dan 12 m hoog, vroegen om verbetering omdat het aantal beams op tussenliggende niveaus in bepaalde gevallen excessief werd. We hebben dit deel volledig herwerkt en volgden daarbij de hieronder beschreven logica.

Als gekozen wordt voor beams als hoofddetectie dan:

  1. vragen we steeds een detectielaag aan het plafond (zie § 6.5.4.2)
    1. de voorschriften voor deze detectielaag zijn overigens aangepast, zo mag de afstand tussen de beam en het plafond groter zijn wat het vaak mogelijk zal maken om bijvoorbeeld dwars onder balken beams te plaatsen;
    2. indien er tussen de balken en dus boven de beams risico’s aanwezig zijn (bijvoorbeeld kabelgoten) dan kan in functie van de risicoanalyse een aanvullende detectie van die risico’s nodig zijn. (zie de noot net voor tabel 8)
  2. vragen we voor lokalen van meer dan 16 m hoog, een detectie (beam of andere) op lagere hoogte die de geïdentificeerde risico’s bewaakt (zie § 6.5.4.3)
  • voor alle duidelijkheid: op basis van de aanwezige risico’s kan men een gepaste oplossing kiezen met beams of met een andere detectietechnologie en kan men kiezen voor een detectieoplossing bij vaste lokale risico’s of een detectieoplossing voor het volledige oppervlakte
  • een voorbeeld van een oplossing met een andere detectietechnologie voor vaste lokale risico’s kan zijn: een atrium waarvan de vloer een circulatieruimte is die vrijgehouden wordt, boven de balie is een luifel (horizontaal scherm, § 6.5.2.1.8) geplaatst waaronder de nodige puntdetectoren geplaatst zijn, alle ruimtes die zijdelings uitgeven op het atrium zijn voorzien van branddetectie volgens de norm. In dergelijke configuratie kan men tot de conclusie komen dat elk risico voldoende bewaakt is.
  • In het geval dat de geïdentificeerde risico’s niet specifiek bewaakt worden zoals in het voorbeeld hierboven, dan beschrijft § 6.5.4.3 verschillende oplossingen met beams die de volledige oppervlakte bewaken op een tussenliggende hoogte en met aangepaste tussenafstanden in functie van het te verwachten risico.

In dat laatste geval kunnen de beams horizontaal, schuin of gekruist geplaatst worden. (zie figuren 32, 33 en 34) De minimale en maximale hoogte waar tussen deze beams moeten geplaatst worden, hangt af van de hoogte van de te bewaken risico’s. De horizontale tussenafstand tussen beams hangt dan weer af van de hoogte waarop deze beams geplaatst worden. De details vind je onder de 3 type oplossingen: A, B en C.

Op deze manier geeft de norm meer flexibiliteit om een effectieve detectieoplossing op maat van de aanwezige risico’s uit te werken bij volumes hoger dan 16 m.

Doormelding : 5 opties in functie van de noden

Zie § 5.3, 6.8.3, 6.9

Uit de praktijk blijkt dat het ene bedrijf best tevreden is met een doormelding naar enkele personeelsleden via b.v. een inbraaksysteem en een spraakbericht of sms, terwijl andere organisaties via een alarmcentrale (ARC) willen werken. De vorige norm liet echter slechts één oplossing toe. Deze editie beschrijft maar liefst 5 oplossingen waaruit kan gekozen worden in functie van de resultaten van de “risicoanalyse en evaluatie van de behoeftes”. Zo kan men een bewuste, onderbouwde keuze maken.

Met deze 5 configuraties, sluit de norm nauw aan bij de gangbare oplossingen in de praktijk die gaan van “comfort-oplossingen” tot oplossingen die de nodige betrouwbaarheid en beschikbaarheid bieden voor essentiële functies.

Een paar eenvoudige voorbeelden om dit verduidelijken:

  • Stel dat de doelstelling de veiligheid van personen is. Er is automatische branddetectie van het type “totale bewaking”. Bij een bevestigde detectie wordt automatisch het evacuatiesignaal gestart. De organisatie in noodgevallen is hieraan aangepast met duidelijke afspraken rond melding aan de brandweer, evacuatie-procedure, enz. In dit soort situaties kan men tot de vaststelling komen dat de veiligheid van de personen verzekerd is zonder gebruik van een doormelding. Wenst men toch een doormelding naar bijvoorbeeld bepaalde verantwoordelijken, dan is deze niet “essentieel” om de veiligheid van de personen te verzekeren. Dit alles onder voorbehoud van eventueel andere doelstellingen.
  • Stel dat de branddetectie onbewaakte telecom-sites bewaakt en als doel heeft “continuïteit van de activiteiten”. De doormelding naar een controlekamer van de telecomoperator zal dan vaak als “essentieel” bestempeld worden.

In § 5.3 vind je de 5 mogelijke configuraties en richtlijnen om de juiste keuze te maken.

Citaat uit § 5.3:

De configuratie van de doormeldapparatuur moet overeenstemmen met 1 van de volgende 5 configuraties waarvoor de eisen zijn geformuleerd in paragraaf 6.9:

  1. geen doormelding of doormelding zonder overwaking van de doormeldapparatuur en zonder ontvangstbevestiging;
  2. manuele doormelding (b.v. via telefoon);
  3. automatische doormelding naar een alarmcentrale eigen aan de organisatie ;
  4. automatische doormelding naar een alarmcentrale (ARC);
  5. automatische doormelding naar een alarmcentrale (ARC) met “ATSP” (zie NBN EN 50136-1).

De configuratie van de doormelding moet gekozen worden in overeenstemming met de resultaten van de risicoanalyse volgens de volgende voorschriften: …

Einde citaat

In § 6.9 vind je de technische voorschriften voor elk van deze configuraties.

Functiebehoud en bekabeling

Alle delen van de norm die verband houden met functiebehoud en bekabeling werden grondig herwerkt met als doel om de regels duidelijker te beschrijven. De combinatie van aanpassingen aan de structuur van de tekst, het herformuleren van de paragrafen en bijlage E met voorbeeldschema’s moet zorgen voor meer duidelijkheid en een éénduidiger toepassing van de voorschriften.

Een ander lid van de normcommissie, Danny Hermans van Volta, werkt over dit thema een artikel uit dat binnenkort ook hier zal gepubliceerd worden.

Horizontale schermen

Zie § 6.5.2.1.8

Voor horizontale schermen hebben we een nieuwe oplossing uitgewerkt gebaseerd op een “testschijf”. Als deze testschijf volledig past onder een horizontaal scherm, dan is een detectie onder dat scherm nodig.

Op deze manier kunnen creatief vormgegeven horizontale schermen (luifels, akoestische panelen, …) eenvoudig beoordeeld worden.

Bevestigde en dubbele detectie

Zie § 6.2.6

In voorschriften voor door branddetectie gestuurde systemen, wordt al eens gesproken over een bevestigde of dubbele detectie. Denk bijvoorbeeld aan “NBN S 21-208-2 - Brandbeveiliging in gebouwen - Ontwerp van de rook- en warmte-afvoersystemen (RWA) in overdekte parkeergebouwen” waar in § 5.3 gesproken wordt van “bevestigde detectie”. Ook bij het ontwerpen van automatische blussystemen, bij eventueel automatisch activeren van het evacuatiesignaal, enz. komt dit ter sprake. Deze nieuwe paragraaf legt uit wat de oplossingen voor een bevestigde of een dubbele detectie zijn en wat daarbij de specifieke eisen zijn.

Op deze manier kan men bij het ontwerpen of configureren van gestuurde systemen duidelijker beschrijven wat men precies wenst en aan welke eisen die oplossing moet voldoen.

Geluidsmetingen

Zie § 6.6.2.1, 9.2.4, 9.2.5 en bijlage H

Mee onder impuls van BELAC en de geaccrediteerde keuringsinstellingen verduidelijken we in bijlage H hoe de geluidsmetingen voor sirenes best uitgevoerd worden. Deze pragmatische procedure zal zorgen voor een meer uniforme en kwalitatieve aanpak.

Streven naar perfectie

Dat perfectie niet van deze wereld is, stellen we ook met onze normcommissie vast. Ondanks alle zorg en aandacht die we besteden aan deze teksten, ontdekken we steeds verbeterpunten. Ook bij deze editie werden typfoutjes weggewerkt (en misschien andere gemaakt), zinnen beter geformuleerd, terminologie consequenter toegepast, figuren verbeterd, enz.

Meld gerust dergelijke imperfecties aan bart.vanbever@agoria.be dan kunnen we die bij een volgende editie wegwerken.

Om het document beter toegankelijk te maken, vind je in bijlage I een lijst van figuren en in bijlage J een lijst van tabellen. We hadden de gebruikers graag een pdf met bladwijzers aangeboden (daar is veel vraag naar) maar helaas laat de huidige software die de beveiligde pdf’s produceert dit voorlopig nog niet toe.

Besluit

Met het toevoegen van lineaire thermische detectie vervolledigen we de lijst van expliciet beschreven detectietechnieken.

Voor de technieken die nog niet beschreven zijn in deze norm (bijvoorbeeld videobranddetectie) en voor andere “uitzonderingsgevallen” reiken we nu een duidelijk kader aan om deze conform NBN S 21-100-1 te behandelen.

Deze nieuwe editie biedt zo tal van nieuwe en verbeterde oplossingen om “Branddetectie- en brandmeldsystemen” te realiseren conform NBN S 21-100-1 en aangepast aan de noden en de risico’s. Zo zijn er opnieuw minder redenen voor de zeer risicovolle tendens om branddetectiesystemen te realiseren op basis van “goede staat en werking”. Juridisch gezien is “goede staat en werking” immers een hol begrip als dit niet gebaseerd is op een erkende regel van goede praktijk zoals een NBN-norm.

We hopen dat dit artikel jullie helpt om de nieuwe editie beter te begrijpen en jullie motiveert om met deze nieuwe editie aan de slag te gaan.

Als er nog vragen zijn, hou dan 16 november (Nederlandstalig) of 17 november (Franstalig) vrij voor de Fireforum Academy. De namiddag zal volledig besteed worden aan NBN S 21-100-1:2021. Ook via Sirris-Agoria en de andere talrijke leden van de normalisatiecommissie SA/072 zullen informatiesessies of opleidingen aangeboden worden.

Auteur : Bart Vanbever

Senior Expert Fire Safety @ AGORIA & Fireforum