Brandveiligheid en evacuatie: basisprincipes voor uitgangen
Een gebouw moet zo ontworpen en uitgevoerd worden dat je het bij brand snel en veilig kan verlaten. Om dit te garanderen, legt de brandregelgeving verschillende eisen op voor de evacuatie. Heel wat aannemers hebben ons echter te kennen gegeven dat deze eisen bij het ontwerp niet altijd voldoende aandacht krijgen. We zetten daarom de basisprincipes voor de uitgangen van compartimenten nog eens op een rijtje.
|
De voorschriften voor de uitgangen van compartimenten zijn opgenomen in § 2.2 en § 4 van bijlagen 2/1 (lage), 3/1 (middelhoge) en 4/1 (hoge gebouwen) van het Koninklijk Besluit (KB) ‘Basisnormen’. Het zijn deze eisen die we verder in dit artikel bespreken. Ook andere documenten kunnen eisen opleggen voor de evacuatie. Denk hierbij bijvoorbeeld aan Titel 3 van Boek III van de ‘Codex over het welzijn op het werk’. Moet je meerdere voorschriften tegelijk naleven? Dan volg je de strengste eis. |
Hoeveel uitgangen moet je voorzien?
Het minimum aantal uitgangen van een compartiment hangt af van de gebouwhoogte en de maximale bezetting van het compartiment.
In tabel A vind je een overzicht van de standaardvoorschriften uit § 2.2.1 van bijlagen 2/1, 3/1 en 4/1 van het KB ‘Basisnormen’. Er zijn ook enkele uitzonderingen mogelijk, zoals een atrium of ondergrondse bouwlagen. Bovendien kan de brandweer meer uitgangen opleggen naargelang de bezetting en de configuratie van de lokalen.

Tabel A Standaardvoorschriften uit het KB ‘Basisnormen’ voor het minimale aantal uitgangen per compartiment.
Om de maximale bezetting te kennen, kan je het aantal gebruikers van een compartiment bepalen op basis van het vaste meubilair. Is dat niet mogelijk, dan vermeldt bijlage 1 van het KB ‘Basisnormen’ de volgende uitgangspunten:
- voor lokalen die niet toegankelijk zijn voor publiekis het aantal gebruikers npminstens gelijk aan S/10, waarbij S overeenkomt met de oppervlakte van het compartiment, uitgedrukt in m² (de oppervlakte van trappen, technische schachten en liftschachten niet meegerekend)
- voor lokalen die toegankelijk zijn voor publiek is het aantal gebruikers npminstens gelijk aan S/3.
Wat telt als een uitgang?
Het KB ‘Basisnormen’ maakt het volgende onderscheid:
- bij compartimenten die zich niet op een evacuatieniveau bevinden, worden enkel binnen- en buitentrappenhuizen als een uitgang beschouwd
- bij compartimenten die zich op een evacuatieniveau situeren, gelden de volgende elementen als een uitgang:
– een trappenhuis
– een rechtstreekse toegang tot de open lucht
– een evacuatieweg waarvan de verticale binnenwanden en de deuren van de lokalen die op deze wegen uitgeven, brandwerend zijn (EI 60 of EI 120 voor binnenwanden en EI1 30 of EI1 60 voor deuren; zie § 4.4.1.2 van bijlagen 2/1, 3/1 en 4/1 van het KB ‘Basisnormen’).
Voor ondergrondse bouwlagen en parkings zijn bepaalde afwijkingen mogelijk.
Waar moet je de uitgangen voorzien?
De uitgangen moeten volgens het KB ‘Basisnormen’ in tegenovergestelde zones van het compartiment liggen. Zo vermijd je dat één brand meerdere uitgangen tegelijk blokkeert omdat ze te dicht bij elkaar liggen.
Je moet ook rekening houden met maximale loopafstanden:
- voor lokalen met uitsluitend dagbezettingmag geen enkel punt van een compartiment zich verder bevinden dan:
– 30 m van de evacuatieweg die de uitgangen verbindt
– 45 m van de toegang tot de dichtstbijzijnde uitgang
– 80 m van de toegang tot een tweede uitgang
- voorlokalen met nachtbezettingis dat:
– 20 m van de evacuatieweg die de uitgangen verbindt
– 30 m van de toegang tot de dichtstbijzijnde uitgang
– 60 m van de toegang tot een tweede uitgang.
Let ook op met doodlopende evacuatiewegen. Dat zijn evacuatiewegen die iemand bij het vluchten zou kunnen inslaan, maar die niet uitkomen op een uitgang (en dus ‘doodlopen’). Deze mogen niet langer zijn dan 15 m (zie afbeelding 1).

Afb. 1 Maximaal toelaatbare afstanden tot de evacuatieweg en de uitgangen.
Wanneer verschillende compartimenten op hetzelfde niveau liggen, kunnen ze een of meerdere gemeenschappelijke trappenhuizen hebben. Deze moeten dan toegankelijk zijn vanuit elk compartiment via een (al dan niet bij brand) zelfsluitende, brandwerende deur (§ 4.2 van bijlagen 2/1, 3/1 en 4/1 van het KB ‘Basisnormen’).
Praktijkvoorbeeld
Stel: je moet het minimum aantal uitgangen bepalen voor de 2e verdieping (geen evacuatieniveau) van een laag gebouw met enkel dagbezetting. Op deze verdieping bevinden zich drie compartimenten:
- S1= 1.600 m² (toegankelijk voor publiek)
- S2= 400 m² (toegankelijk voor publiek)
- S3= 400 m² (niet toegankelijk voor publiek).
De maximale bezetting en het minimum aantal uitgangen per compartiment bedraagt:
- np1= 1.600 m² / 3 = 534 personen, dus minimum 3 uitgangen
(nl. 2 + 1, want 534/1.000 = 0,534 met 1 als eerstvolgende gehele getal) - np2= 400 m² / 3 = 134 personen, dus minimum 2 uitgangen
- np3= 400 m² / 10 = 40 personen, dus minimum 1 uitgang.
Je kan de uitgangen dan opvatten zoals in afbeelding 2.

Afb. 2 Mogelijke opvatting van de uitgangen.
Samenvatting van een artikel, verschenen op de pagina’s 16-17 van het Buildwise Magazine Juni 2026. Enkel de originele tekst, opgesteld in het kader van de Normen-Antenne ‘Brandpreventie’, gesubsidieerd door het NBN, geldt als referentie.
Auteurs :
J. Goovaerts, K. De Proft, Buildwise